Alles is vergankelijk

Jonge kippen slachtenEind april hadden we een kloek tussen de kippen. Uit de tiental eieren die we onder haar behaard kontje legden, kwamen een twintig dagen later een vijftal kuikens voort, waarvan er drie in leven bleven: twee spierwitte en één roestbruine.

Wij hebben geen raskippen, maar hybride kippen. Een aantal jaren terug hebben we het eens geprobeerd met Brakels: twee zilverbrakels met haan en twee goudbrakels met haan. Dat was sowieso al om miserie vragen, maar ja voor de kweker was het met de hanen erbij of geen kippen at all. Ik heb al ruim dertig jaar kippen, maar zulke krengen van kiekens heb ik nooit voordien of nadien meegemaakt. Schuwe, schichtige, benauwde ADHD’ers, niet meer en ook niet minder. Geen wonder dat dat amper eieren legde. Pure armoe. Een goede leghen is rustig, eet met goesting en weet wat haar te doen staat. De Brakels zijn van ouderdom gestorven en, om doodeerlijk te zijn, ik heb er geen traan om gelaten. Ja, mooi waren ze wel, maar ik hou geen kiekens voor de sier, wel voor de eieren.

Dus uit hybride kippen en een haan van onbekend allooi, die ik als vriendendienst een jaar of twee terug in ons kippenhok deponeerde, kwamen er kuikens. Als je met hybride kippen kweekt, worden hun (goede) eigenschappen niet aan de volgende generatie doorgegeven. Je krijgt poespas. Diep in mij ( … eigenlijk niet zo diep) wist ik van in ’t begin dat er vodden zouden van komen. Een mens leert uit ervaring, niet? Neem nu geitenlammetjes: Die onschuldige speelse lammetjes worden ook geiten, zelfs sneller dan jullie voor mogelijk houden. Die zogenaamde onschuld, die onverklaarbaar diep in de volksmond is geworteld, duurt welgeteld een etmaal. Dat is de tijd dat ze nodig hebben om hun geboorteslijm te verliezen en op te drogen, op vier poten te staan, standepede moeder’s spenen uit te rekken, voldaan enkele uren te soezen om dan met hun ingebouwde radar de gaten op te zoeken van het hok of de omheining. Ik weet er alles van.

Sedert enkele weken zitten die ondertussen uit de kluiten gewassen jonge kippen meer in mijn groententuin dan in de kippenren. Je wilt niet weten wat die daar op vijf minuten tijd kunnen aanrichten. Bovendien worden die tuinervaringen standepede op hun harde schijf geprint, zoals bij een hond die voor de eerste keer de smaak van bloed heeft geproefd. Je krijgt het er niet meer uit.
Het dagelijks rantsoen sla en aanverwanten dat we de kippen vanuit de tuin bezorgen, interesseert die jonge snotneuzen maar matig. Ze wachten tot we weg zijn om dan zelf het spul uit te zoeken. Bijvoorbeeld en niet voor het minst mijn spruitenplanten. Als ik thuis ben en achter mijn schrijftafel zit die uitkijkt op de tuin en de kippenren, moet ik om de tien minuten van mijn stoel wippen. Het ergerlijke is dat ik maar mijn kop hoef te laten zien of ze springen al spontaan terug in de ren. Kom mij dus niet te vertellen dat kiekens te dom zijn om te helpen donderen. Ik hoor jullie al zeggen: “In plaats van te zagen over het uitbreken van je kippen, zorg je beter dat ze niet buiten raken.” Sterk punt, maar ik heb geen goesting om heel de kippenren twee meter hoog te barricaderen voor drie puberkiekens, terwijl mijn andere kiekens zich als princessen voelen in de hun royaal toegewezen biotoop. Voor iets hoort iets, vind ik. Ieder zijn plek, dus elk aan een andere kant van de ren. Dat blijft voor iedereen het langst duren, of trendy uitgedrukt: een duurzame deal.
Met die nakende kaasreis voor ogen, besloot ik enkele dagen terug de toekomst van mijn drie rebelse jonge kiekens zelf in handen te nemen om mij bij terugkeer een (tuin)trauma te besparen.
Die beslissing viel niet bij iedereen in huis in goede aarde. ‘Je gaat toch geen kippen die je dagelijks hebt verzorgd, slachten en dan nog zelf opeten ook!!!’ Neen zeker, ik zal ze aan de buren geven of ze in de grond steken. Voor mij is het de logica zelf dat als je dieren houdt en ook vlees eet, je ook de verantwoordelijkheid neemt om eigen dieren te slachten en op te eten als de toestand (of het dierenwelzijn) dat vereist. Als je daar te flauw voor bent, hou dan geen dieren en eet dan ook geen vlees. Er is niks zo hypocriet om je vlees te kopen en met de ver-van-je-bed slachtrealiteit als een struisvogel om te gaan.
Van dieren die je zelf heb gevoederd, weet je tenminste hoe ze werden behandeld en wat ze aan eten hebben gekregen. Je zou nogal een kieken zijn om dat te laten liggen voor anoniem, onbekend vlees uit de handel.
Gelukkig ben je als vleeseter niet uitsluitend aangewezen op de reguliere vleeshandel. Er zijn allerlei zinnige en betrouwbare leveranciers op de markt die het motto ‘Eet minder, maar beter vlees’ dagelijks waarmaken.
In het Leuvense vermeld ik graag beenhouwerij Rondou en als je in Nederland online je kwaliteitsvlees wilt bestellen, dan is okvlees.nl ten zeerste aan te bevelen. Geen vlees eten is ook een optie, best een zinnige optie als je er voedingsgewijs verstandig en niet louter emotioneel mee omgaat.
Vlees of geen vlees, voer voor veel polemiek. Als ik daarmee te maken krijg, overvalt me de gedachte: ‘De moeilijkheid met de wereld is dat de dommen zelfverzekerd zijn en de verstandigen van twijfel vervuld.”

2 Reacties op “Alles is vergankelijk

  1. Ik zou zeggen, laat ze je smaken jong. Ik geloof dat er geen beter vlees is dan dat je zelf met zorg en liefde gekweekt hebt. Net zoals er geen betere groenten bestaan. Ik heb anderzijds wel ook alle respect voor de emotionele band die sommigen met hun huis(/tuin)dieren onderhouden. Misschien kan een afscheidsritueeltje hier helpen ?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s